dialogen

In verhalen moet je ook dialogen schrijven. Hieronder vindt je tips daarvoor.

dialogen schrijven

Als je bezig bent met je verhaal moet je ook letten op spelling en interpunctie (komma’s, punten enz.). Bij een dialoog (een gesprek tussen meerdere mensen) moet je ook letten op aanhalingstekens. Je kunt dan kiezen:
“Hé, wie ben jij?”, vroeg hij.
‘Hé, wie ben jij?’, vroeg hij.
Het gaat dus om één of twee ‘hoge komma’s’. Maar dan moet je ook nog op een aantal andere dingen letten. Hier staan de regels onder elkaar:

1. aanhalingstekens om hetgeen wat gezegd wordt.

2. De komma moet achter de aanhalingstekens. Zo:
“Wie ben jij?”, vroeg hij.
“Wie ben jij!”, riep hij luid.
“Ook hallo”, zei ik.

3. Als er wat gezegd wordt door verschillende personen, zet het dan onder elkaar. Bijvoorbeeld zo:
“Hé, wie ben jij?”, vroeg de man.
“Mijn naam is Richard”, zei Richard.

4. Als er meerdere dingen gezegd worden door een persoon kun je het zo opschrijven:
“Ik ben Maike”, zei ik, “Maar wie ben jij?”
“Ik ben Maike. Maar wie ben jij?”, vroeg ik.
Ik zei:
“Ik ben Maike. Maar wie ben jij?”

5. Voor regel twee is er een uitzondering, als er meerdere dingen achter elkaar worden gezegd.
“Hé,” zei ik, “wie ben jij?”
“Hé, jongen”, zei ik, “wie ben jij?”
“Maar”, zei ik, “wie ben jij?”
Het verschil hiertussen zie je als je het stukje ‘zei ik’ achteraan plaatst:
“Hé, wie ben jij?” zei ik.
“Hé, jongen. Wie ben jij?”, zei ik.
“Maar wie ben jij?”, zei ik.
Snap je het verschil? Het zit hem in de zin. Als je de onderste regel naast elkaar plaatst zie je dat er tussen ‘Maar’ en ‘wie’ geen komma hoeft, dus moet je die bij het bovenstaande voorbeeld achter de aanhalingstekens plaatsen. Bij het eerste stukje zie je tussen ‘Hé’ en ‘wie’ wel een komma, dus moet die bij het bovenste voorbeeld wel tussen de aanhalingstekens. Het verschil met het middelste voorbeeld is dat dat twee zinnen zijn. Tussen ‘jongen’ en ‘Wie’ moet bij het onderste voorbeeld een punt, en bij het bovenste moet ‘Wie’ met een hoofdletter en is de komma achter de aanhalingstekens.

6. Als iemand iets zegt kun je dat ervoor schrijven. Dan moet het zo:
Hij zuchtte en zei:
“Dit is niets voor jou.”

7. Als er wat gezegd, en daarna wat gedaan wordt, hoeft het niet onder elkaar. Dus zo:
“Wie ben jij dan?”, vroeg Richard.
“Ik ben Tom”, zei de man. Richard knikte. De man keek hem weer vreemd aan, de hele tijd eigenlijk al.

8. Als er een paar dingen door één persoon achter elkaar worden gezegd, krijg je een punt of een komma:
“Hé, jongen”, zei ik, “waar ga je naartoe?”
“Hé, jongen”, zei ik. “Waar ga je naartoe?”

9. Als je een paar dingen achter elkaar zegt, hoeft er niet altijd bij te staan wie het zegt. Dat is vaak zo bij een tweegesprek:
“Hoe laat is het?”, vroeg hij
“Geen idee”, zei ik
“Kijk dan.”
“Kijk zelf.” Hij zuchte:
“Goed.”

10. Als iemand iets doet nadat er wat gezegd wordt, moet er een punt voor de aanhalingstekens:
“Ik ben Timmy”, zei het jongetje, “Jij bent Maike toch? Leuk je te ontmoeten.” Ik knikte en glimlachte naar hem.

11. Als iemand iets denkt nadat er wat gezegd wordt kun je dat zo doen:
“Hé, moet dat niet eerst?”, vroeg de jongen. Hij heeft wel gelijk, dacht ik.
En als dezelfde persoon iets denkt en zegt:
“Hé, moet dat niet eerst?”, vroeg ik en ik dacht er bij; want dat is toch veel handiger.

Dat zijn wel zo ongeveer de interpunctie-regels voor dialogen schrijven. Maar met regeltjes ben je er natuurlijk nog niet. Ook al pas je dit allemaal toe, betekent het niet dat het een interessant gesprek wordt om te lezen.

Belangrijk voor een gesprek is dat het zo echt mogelijk is. Tijdens een gesprek wordt er niet alleen gesproken. De hoofdpersoon denkt ook dingen. Probeer het je zo goed mogelijk voor te stellen. Hoe zou het in het echt gaan?

Ook is het belangrijk de karakters van je personages toe te passen. Wat zou je zeggen als je een heel stoer meisje was, of een klein schattig jochie? En wat wil je dat er gezegd wordt? Waarom staat het gesprek in je verhaal? Dit kan te maken hebben met iets belangrijks dat gezegd wordt, wat belangrijk is voor de inhoud van je verhaal. Het kan ook gewoon zijn omdat je een ‘dagelijks beeld’ wil schetsen: hoe is de situatie bij de hoofdpersoon en hoe gaat hij/zij om met anderen. Hier moet je over nadenken.

Je moet altijd uitkijken met dialogen. Als je een ‘dagelijks beeld’ wil schetsen moet je nooit te veel van dat soort ‘onzin’ gesprekken erin zetten. Het wordt namelijk al snel te veel en te onduidelijk. Als je lange gesprekken hebt, kun je ook in verhalende vorm vertellen wat er gezegd werd. Dus in plaats van:
“Hoi”, zei ik.
“Hoi”, zei Daan.
“Morgen”, bromde Bas.
“Hallo kinderen”, zei de meester. “We gaan beginnen met de les.”
Kun je zeggen:
Iedereen zei elkaar kort gedag en toen begon meester de les.

Vervolg coming soon…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>